DEN HAAG - De rechtbank Den Haag heeft een 33-jarige man veroordeeld voor het verkrachten van een internationale studente die net een maand in Nederland was. Dit gebeurde op 12 september 2024 in een studentencomplex in Den Haag. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan schennispleging in de lift en hal van andere studentencomplexen op 3 juli 2024 en 18 juni 2025. De rechtbank legt de verdachte een celstraf op van 4 jaar met aftrek van voorarrest.

Verkrachting

De verdachte belde midden in de nacht aan bij het slachtoffer en maakte zich kenbaar als politieagent. Hij zou zijn getipt dat er drugs op de kamer van het slachtoffer zouden liggen en kwam een controle uitvoeren. Het slachtoffer was een internationale studente die op dat moment net een maand in Nederland was en de regels en procedures in Nederland niet kende. Ook sprak ze de Nederlandse taal niet. Het slachtoffer heeft verklaard dat ze volledig naakt met haar handen tegen de muur moest gaan staan en een paar keer moest squatten, waarna de verdachte haar penetreerde met zijn vingers. Direct na het incident heeft het slachtoffer 112 vanuit de badkamer gebeld. Agenten die ter plaatse kwamen troffen haar naakt aan en ze moest hard huilen.

Volgens de verdachte raakte hij buiten bij het raam van de kamer van het slachtoffer met haar in gesprek en nodigde zij hem binnen uit. Ze zouden hebben gezoend en zou hij haar hebben aangeraakt bij haar geslachtsdeel. Volgens hem wilde ze plotseling niet meer terwijl ze iets over een vriendje zei, waarna hij is gestopt en weggegaan.

Zedenzaak en het bewijs

In veel zedenzaken zijn twee personen aanwezig bij seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Zij hebben vaak tegengestelde verklaringen over wat is gebeurd, zoals ook in deze zaak. Om een feit als verkrachting te kunnen bewijzen, moet er sprake zijn van bijkomend bewijs dat aan de verklaring van een slachtoffer voldoende steun biedt: zogenoemd steunbewijs.

Oordeel rechtbank

In deze zaak oordeelt de rechtbank dat de verklaringen van het slachtoffer concreet, gedetailleerd en consistent en authentiek zijn. Haar verklaringen vinden steun in de waarnemingen van de agenten die ter plaatse kwamen en het slachtoffer naakt aantroffen. Ook zag een verbalisant hoe het slachtoffer hard moest huilen. Daarnaast is er sprake van zogenoemd schakelbewijs. Enkele maanden na het incident hebben andere incidenten plaatsgevonden waarbij eveneens sprake was van het aanbellen bij dezelfde studentenflats en zich voordoen als politieagent. De verdachte heeft zichzelf op camerabeelden herkend. Ook hier ging het om internationale studenten. De rechtbank oordeelt dat de verdachte eenzelfde werkwijze hanteerde.

De rechtbank oordeelt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen terwijl hij wist dat het slachtoffer dit niet wilde en dat er sprake is geweest van dwang. De verklaring van de verdachte over wat is gebeurd op 12 september, schuift de rechtbank terzijde. De rechtbank oordeelt dat hij geraffineerd, zogezegd doortrapt, en berekenend te werk ging en dat de situatie voor het slachtoffer vernederend geweest moet zijn. Zij durfde na het incident haar woning niet meer binnen te gaan. Ze had haar hele leven ervan gedroomd om in Europa te studeren. Nu dit haar is overkomen, heeft ze zo’n hekel aan Nederland gekregen dat ze direct is teruggekeerd naar haar land van herkomst.

Ten tweede is de verdachte schuldig aan schennispleging bijna een jaar later in een ander studentencomplex. Hij heeft in het studentencomplex in het openbaar zijn geslachtsdeel getoond en zichtbaar voor anderen gemasturbeerd.

Straf

De verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek in het Pieter Baan Centrum en deskundigen hebben onvoldoende zicht gekregen op het eventueel bestaan van een psychische stoornis. De rechtbank ziet onvoldoende grond om aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen zoals door de officier van justitie is geëist. Het rapport van het Pieter Baan Centrum, daarin genoemde oudere rapportages, zeden- en andere delicten die de verdachte in het verleden heeft gepleegd en verdere informatie over de geestesgesteldheid van de verdachte bieden onvoldoende concrete informatie om te komen tot de feitelijke vaststelling dat sprake is van een stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij de verdachte. De rechtbank vindt een celstraf van 4 jaar passend en geboden. Ook wordt aan hem de gedragsbeïnvloedende maatregel opgelegd zodat er na zijn detentie langdurig intensief toezicht kan worden gehouden.