Legaat van Bredius aan de gemeente Den Haag
Abraham Bredius (1855-1946) was kunstkenner en -verzamelaar en van 1889 tot 1909 directeur van het Mauritshuis te Den Haag. De gemeente Den Haag is na het overlijden van Bredius eigenaar geworden van een deel van zijn kunstcollectie door aanvaarding van het aan haar in het (in Monaco opgemaakte, Franstalige) testament uit 1944 verstrekte legaat met daaraan verbonden een last (verplichting) dat de kunstvoorwerpen “<ils/> devront rester exposés exclusivement dans ledit Musée.”Tot het legaat behoren onder meer verzamelde schilderijen en tekeningen, waaronder werken van beroemde meesters als Rembrandt van Rijn, Jan Steen, Aert van der Meer en Meindert Hobbema. Daarnaast omvat het legaat diverse kunstvoorwerpen van porselein, zilver en goud. Joseph Kronig (1887-1984) werd door Bredius als enige erfgenaam en executeur-testamentair aangewezen.
In 1990 is het Museum Bredius verhuisd naar de Prinsegracht, waar Bredius tot zijn vertrek naar Monaco in 1922 heeft gewoond. Sindsdien is de collectie van het Museum Bredius grotendeels ondergebracht in het pand aan de Lange Vijverberg en is een gedeelte in een extern depot in Den Haag opgeslagen. Op dit moment worden in het externe depot 21 schilderijen in een professionele, geklimatiseerde ruimte bewaard. Daarnaast bevindt zich in het souterrain van het pand aan de Lange Vijverberg een semi-open ruimte waar plek is voor werken die op aanvraag voor het publiek toegankelijk zijn. De gehele collectie van het Museum Bredius is gedigitaliseerd en een groot deel ervan is altijd te zien op de website van het museum.
De zaak van het Museum Bredius
Een erfgenaam van Kronig en twee kinderen van die erfgenaam hebben deze zaak aangespannen. Zij vinden dat uit het legaat dat de gemeente heeft geaccepteerd volgt dat alle kunstvoorwerpen blijvend moeten worden tentoongesteld en dat alle kunstvoorwerpen uitsluitend in het Museum Bredius in Den Haag te zien moeten zijn. Verplaatsing ervan buiten de museummuren van het pand aan de Lange Vijverberg, is volgens hen uit den boze. Doordat de gemeente zich hier niet aan heeft gehouden, heeft de gemeente de verplichting geschonden, stellen de eisers. Ook zijn er volgens hen 181 voorwerpen door toedoen van de gemeente verloren gegaan. De eisers willen dat het legaat vervallen wordt verklaard en dat de collectie aan hen als erfgenamen wordt afgegeven. Ook willen ze dat de gemeente informatie geeft over onder meer de verblijfplaatsen van een aantal schilderijen.
Oordeel rechtbank
De rechtbank stelt vast dat over het legaat tussen eisers en de gemeente Den Haag eerder is geprocedeerd. Het gerechtshof heeft hierover in 2020 uitspraak gedaan. Deze uitspraak is onherroepelijk. Stellingen en feitelijke geschilpunten waarover het gerechtshof al heeft beslist kunnen eisers niet opnieuw aan de rechtbank voorleggen. Het gerechtshof heeft onder meer geoordeeld dat de aan het legaat verbonden verplichting geen absolute tentoonstellingsplicht en depotverbod inhoudt. Het gerechtshof heeft zich toen ook al gebogen over de opslag in het externe depot en de opslag niet aangemerkt als schending van een verplichting.
De rechtbank kan zich in deze zaak wel buigen over de omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het arrest van het hof in 2020. Zo zouden er 181 voorwerpen door toedoen van de gemeente verloren zijn gegaan, maar de rechtbank volgt die berekening niet. De gemeente heeft er - naar het oordeel van de rechtbank terecht - op gewezen dat niet ieder ooit geïnventariseerd object valt onder het legaat. Meubels en gebruiksvoorwerpen die geen kunstvoorwerp zijn vallen hier bijvoorbeeld niet onder, maar het staat wel vast dat deze wel op diverse lijsten en in de catalogus zijn opgenomen. Er is wel een aantal voorwerpen verloren gegaan maar dat levert in dit geval geen schending van de op de Gemeente Den Haag rustende verplichting op. De vorderingen van de eisers worden afgewezen.
De zaak van het Mauritshuis
Naast de zaak tegen de gemeente, hebben de eisers ook een zaak tegen het Mauritshuis en de Nederlandse Staat aangespannen. Deze zaak draait om 25 schilderijen waar de Staat in 1946 eigenaar van is geworden door aanvaarding van het door Bredius (in hetzelfde testament uit 1944) aan de Staat verstrekte legaat. Aan dit legaat is een gelijkluidende last (verplichting) verbonden als aan de gemeente Den Haag is opgelegd. Deze schilderijen, van bekende schilders als Rembrandt van Rijn, Salomon van Ruysdael, Jan van Goyen en Jan Steen, behoren tot de collectie van het Mauritshuis. Eisers vinden dat de Staat zich eveneens niet houdt aan de afspraken, onder meer omdat de stukken niet blijvend tentoon worden gesteld en er schilderijen in depot worden gehouden en dat het legaat daarom zou moeten vervallen.
Oordeel rechtbank
De rechtbank wijst deze vorderingen ook af. De rechtbank oordeelt dat niet met zekerheid kan worden gezegd dat Bredius wilde dat al zijn werken steeds in het Mauritshuis op zaal zouden worden gehouden en niet mochten worden verplaatst. Daarbij merkt de rechtbank op dat Bredius destijds als museumdirecteur er mee bekend was dat schilderijen rouleerden. Ook in zijn tijd als museumdirecteur was de collectie van het Mauritshuis niet een statische, maar een levende verzameling. Ook staat vast dat alle schilderijen te zien zijn via de website van het Mauritshuis en dat schilderijen in depot in beginsel op aanvraag fysiek kunnen worden bekeken. Ook bij deze beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met het eerder genoemde arrest van het gerechtshof uit 2020.

11.9 ℃






































